Bretels bestellen Winkelen Informatie over rietdekken

Informatie over rietdekken

Rietdekken is het ambacht van het bouwen van een dak met droge vegetatie zoals stro, waterriet, zegge, riet, heide of palmbladeren door de vegetatie in lagen aan te brengen om water weg te houden van het binnenste dak. Omdat het grootste deel van de vegetatie droog blijft en dicht opeengepakt is, vormt het ook isolatie. Het is een zeer oude methode van rietdekkers voor dakbedekking en wordt in zowel tropische als gematigde klimaten gebruikt. Rietdekken is nog steeds in gebruik bij bouwers in ontwikkelingslanden, meestal met goedkope lokale vegetatie. In sommige ontwikkelde landen is het daarentegen de keuze van een aantal welgestelde mensen in dure villawijken die een rustieke uitstraling voor hun huis wensen, een milieuvriendelijker dak willen, of die een oorspronkelijk huis met rieten dak hebben gekocht.

 

Rietdekken is van oudsher van generatie op generatie doorgegeven en talloze beschrijvingen van de materialen en methoden die in Europa werden gebruikt in de afgelopen drie eeuwen, overleven in archieven en vroege publicaties.

 

In sommige equatoriale landen is rietbed het gangbare lokale materiaal voor daken en vaak ook voor muren. Er zijn verschillende bouwtechnieken van de oude Hawaiianen die lokale Ti-bladeren, lauhala of pili-gras gebruikten. Palmbladeren worden ook heel vaak gebruikt. Bijvoorbeeld in Fiji in Azië. Bevederde palmbladdaken worden gebruikt in Dominica. In Zuidoost-Azië worden mangrove-nipapalmbladen gebruikt als rieten dak materiaal dat bekend staat als attap-woning. In Bali, Indonesië worden de zwarte vezels van Arenga pinnata genaamt ijuk, ook gebruikt als rieten daken materiaal, meestal gebruikt i Balinese tempeldaken en meru-torens. Suikerrietbladdaken worden gebruikt in Kikuyu-tribale huizen in Kenia. Wilde vegetatie zoals waterriet, lisdodde, brem, heide en biezen werden vroeger gebruikt in Europa om primitieve schuilplaatsen te bedekken. Stro werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt in de Neolithische periode toen men voor het eerst graangewassen verbouwden. Hier is alleen geen direct archeologisch bewijs voor.